Reglementen
Materiaal
Meteorologie
Algemeen

Artikel 501 Algemene beschermende verplichtingen

Lid 1
De minimale openingshoogte bij vrijeval sprongen is 2500 ft boven de grond. De minimale afspringhoogte bij AO parachutesprongen met square hoofdparachutes is 3000 ft boven de grond. De minimale afspringhoogte bij AO sprongen met ronde hoofdparachutes is 2000 ft boven de grond

Lid 2
Het dragen van een functionerende, juist ingestelde en gedurende de sprong afleesbare hoogtemeter is verplicht.

Lid 3
Er moet visuele of radiografische communicatie zijn tussen de bestuurder van het luchtvaartuig c.q. toestel of de sportparachutist en een door een centrum aangewezen deskundige persoon op het landingsterrein, waarbij ten minste de berichten ‘springen toegestaan’, ‘stand-by’ en ‘cancel’ moeten kunnen worden overgebracht.

Lid 4
Een sportparachutist, die zes (6) maanden of langer niet heeft gesprongen, moet één of meer aangepaste sprongen maken onder leiding van een instructeur. Aantal en vorm van invulling zijn ter beoordeling van deze instructeur.

Lid 5
Een sportparachutist mag alleen formatiesprongen uitvoeren indien deze naar het oordeel van een instructeur voldoende instructiesprongen heeft gemaakt om dit veilig te kunnen doen.

Lid 6
Het voorgenomen landingsterrein dient voor gebruik geschikt te worden bevonden, afhankelijk van de ervaring van de sportparachutisten en de (meteorologische) omstandigheden, door:

  • een houder van een C-brevet of hoger, voor eigen gebruik, of
  • de instructeur, in het geval van het gebruik door springers nog niet in het bezit van een C-brevet.